Cambuur-directeur: ‘Voetbal heeft zichzelf slecht verkocht’

De maatschappelijke betekenis van voetbal is in de coronacrisis wel heel makkelijk aan de kant gezet, vindt algemeen directeur Ard de Graaf van Cambuur.

Al voordat Cambuur op 24 april het bericht kreeg dat de club niet promoveert, constateerde De Graaf dat er geen kopstuk opstond die zich om de belangen van de Nederlandse topsport bekommerde. ,,Alle kikkers zijn uit de emmer gesprongen toen het ging over stoppen van competities, maar er heeft niemand gezegd: stop! Alle kikkers terug in de emmer en nu gaan we kijken wat we kunnen doen.’’

Met lede ogen ziet De Graaf aan hoe de voetbalcompetitie in Duitsland weer is opgestart, hoe de premier van Spanje spreekt over het belang van La Liga. In Engeland, in Italië, overal wordt gesproken over hervatting van de voetbalcompetitie. ,,Waarom is hier zo snel gezegd dat alles met vergunningsplicht er tot 1 september uitgaat?’’

(Top)sport is in het Nederlandse kabinet ondervertegenwoordigd, vindt De Graaf. En de sport heeft zichzelf ook een slechte dienst bewezen door niet voor zichzelf op te komen. ,,We hebben iemand als Louis van Gaal of Ruud Gullit nodig die sport kan verkopen richting Den Haag. Arie Boomsma heeft de sportscholen weer open gekregen, Albert Verlinde en Cornald Maas vertegenwoordigen de entertainmentsector heel goed. Sport was de grote afwezige aan de tafels.’’

Het gevoel van onrecht knaagt nog immer aan Cambuurs algemeen directeur. Geregeld wordt hij om half vijf in de ochtend wakker en begint het knagen weer. ,,Nu hoor je geluiden dat het hier ook zo had gekund als in Duitsland. We hebben het ons te makkelijk laten gebeuren, dat mogen we onszelf allemaal kwalijk nemen.’’