Dominee Felix van der Wissel 'deed wat nodig was' en redde talloze Joodse kinderen

Felix van der Wissel speelde als predikant van de Doopsgezinde Kerk in Leeuwarden in de Tweede Wereldoorlog een belangrijke rol bij het onderbrengen van Joodse kinderen in onderduikgezinnen in Friesland. Wat bewoog deze man? ,,Hij deed wat nodig was en vond dat vanzelfsprekend’’, vertelt zijn kleindochter Baukje van der Wissel.

elix van der Wissel was van 1937 tot 1957 voorganger in de kerk aan de Wirdumerdijk in Leeuwarden, die een netwerk van leden in dorpen had in de wijde omgeving. Via de kerk, de ‘vermaning’, werden vermoedelijk honderd Joodse kinderen ondergebracht in dorpen rondom de stad. De dominee deed dat met hulp van doopsgezind gemeentelid Krijn van den Helm, een man met op zijn beurt een groot netwerk dankzij zijn betrokkenheid bij de LO (Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers) en de Knokploeg van Leeuwarden.

Baukje van der Wissel (51) uit Bussum kende dit verhaal van haar opa helemaal niet, tot afgelopen november. Die maand is haar zoon Joris met een groep doopsgezinde jongeren op bezoek in de doopsgezinde kerk van Leeuwarden. ,,Ik vroeg Joris goed om zich heen te kijken want wie weet, hangt er wel een portret van opa Felix in de kerk.’’

Dat is niet het geval. Wel hoort Joris van koster Appie Vellinga, die een rondleiding geeft, over het project de Terugkeer van de Joodse kinderen. Baukje: ,,Hij vertelde dat Joris’ overgrootvader een held was in de Tweede Wereldoorlog. Zo kwamen we dankzij deze toevallige ontmoeting te weten dat onze opa betrokken was bij het redden van Joodse kinderen.’’

Baukje weet dat haar opa en oma familiekronieken bijhielden, een soort dagboeken over de dagelijkse beslommeringen van het gezin met drie tieners. Ze besluit dat het project een mooie aanleiding is om in de documenten te duiken. ,,Ik heb mijn opa niet persoonlijk gekend omdat hij jong is overleden. Maar van mijn vader weet ik dat mijn grootouders nooit veel vertelden over de oorlogsjaren. Wie weet zou ik hierin nog wat ontdekken.’’

egint op zijn achttiende aan een studie medicijnen. Later besluit hij in de voetsporen van zijn vader, ook doopsgezind predikant, te treden en theologie te gaan studeren. Diep teleurgesteld is hij als de Doopsgezinde Kerk na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog geen stelling neemt tegen het geweld en de verdwazing van de oorlog (doopsgezinden wijzen militaire dienst af, red.). In plaats van zich beroepbaar te stellen, kiest hij voor een opleiding tot praktisch dienstbetoon en wordt verpleger.

In het Amsterdamse Wilhelmina Gasthuis, waar hij werkt, ontmoet hij zijn echtgenote, Bep Zeller. Omdat Van der Wissel tuberculose krijgt, moet het huwelijk worden uitgesteld. Intussen heeft hij zijn onderwijzersakte gehaald. In de jaren twintig werkt hij als onderwijzer in Appelscha, in zijn vrije tijd geeft hij catechisatie. Op aandringen van zijn vrouw besluit hij in 1927 toch doopsgezind predikant te worden. Zijn eerste gemeente is het Zeeuwse Aardenburg, de tweede Kampen en van 1937 tot zijn emeritaat staat hij in Leeuwarden.

Van der Wissel is geïnspireerd door het leven en werken van Tolstoj en Gandhi; hun strijdbaarheid, praktische instelling en consequente weerloosheid. Voor de oorlog brengt hij een bezoek aan de Quakers in Woodbrook in Engeland, waar hij leert dat je pacifisme moet verbinden met vredesacties. Dit inzicht staat aan de basis van het werk dat hij in de Tweede Wereldoorlog verricht. Hoe hij hier precies betrokken bij raakt, is niet meer te achterhalen.

De kronieken verschaffen hier ook geen helderheid in. Baukje leest hoe het leven in het begin van de oorlog rustig voortkabbelt en dat, naarmate de oorlog vordert, opmerkingen hierover steeds vaker opdoemen tussen de familiegebeurtenissen. ,,Ik lees maar een enkele verwijzing naar hun Joodse onderduikers. Bovenaan een volgeschreven bladzijde staan, in een andere kleur pen, ineens een paar namen. Ik vermoed dat die er later bij zijn geschreven.’’

Duidelijk wordt wel dat haar opa en oma gedurende de oorlogsjaren hun huis aan de Emmakade regelmatig vol logés hebben, maar namen worden niet genoemd. Soms verwijzen flarden van zinnen naar oorlogsgebeurtenissen zonder daar echt iets over te vertellen, zoals op 31 mei 1944:

..herinnering aan een dag vol emoties: bezoek Krijn, brief Sib over gevangenneming van Veenstra, vertrek mevrouw de Lange, door mij per fiets begeleid, terwijl ik gelijkertijd melk en groente meenam, autotochtje met Jensma, terwijl ik fietste als een dief in de nacht met de politie achter mij aan, ontmoeting met Rob te midden van de geurende hooivelden, alsmede met de twee Duitsche soldaten plus meiden……

,,Ik denk dat hij er een beetje is ingerold’’, zegt kleindochter Baukje na lezing van de dagboeken. ,,Er werd een beroep op hen gedaan om iets te doen tegen de bezetter. Mijn grootouders hielden zich afzijdig van geweld, maar vanuit hun christelijke overtuiging wilden ze wel hulp bieden aan mensen in nood. Het werk als predikant was natuurlijk een geweldige dekmantel om de kinderen onder te brengen. Hij kende veel gezinnen. Mijn opa bracht gestolen voedselbonnen naar de onderduikadressen.’’

Ook in zijn wekelijkse preken steekt de principiële Van der Wissel, een kleine man met een grijs baardje en één been dat korter is, zijn afkeer van de bezetting niet onder stoelen of banken. Hij gebruikt veel vergelijkingen uit de Bijbel om duidelijk te maken dat hij de oorlog afkeurt. ,,Zijn moralistische preken waren op het randje’’, stelt Baukje.

ingen worden niet door ieder gemeentelid gewaardeerd, zo blijkt uit een anonieme dreigbrief van een NSB-lid. Die eindigt met de woorden: Houdt u het voor gezegd dat gij de eerste de beste keer, dat ik weer over politiek op de kansel hoor, ik me verplicht voel u te laten arresteren ter verzekering van de binnenlandsche orde en veiligheid. Heil Hitler, een N.S.B. er, lid van de D.G Gemeente.

Van der Wissel laat zich er niet door weerhouden om door te gaan met zijn werk. Wat niet betekent dat hij nooit bang is. Baukje leest in de kronieken hoe hij met de voortdurende angst leeft dat hij straks aan de beurt is om gehaald te worden, wat leidt tot onrustige nachten. Op 22 augustus 1944, vlak voor Dolle Dinsdag, wordt zijn angst bewaarheid. De landwacht komt hem halen en arresteert hem. In de dagboeken valt te lezen dat zijn vrouw de landwacht sommeert: ‘U loopt wel achter mijn man, alleen fatsoenlijke mensen lopen naast hem’. Die gehoorzaamt haar prompt. Via de gevangenis van Groningen wordt Van der Wissel naar een werkkamp op het Duitse eiland Borkum gebracht.

Hier moet hij bunkers bouwen, iets wat hij weigert, ondanks de dreiging met executie. Hij weet duidelijk te maken dat hij precies zo zou hebben gehandeld tegenover een Nederlandse overheid en krijgt zowaar respect voor deze houding. ‘Herr Pfarrer’, meneer de dominee, wordt hij hier genoemd.

Bep heeft het moeilijk in deze periode, blijkt uit de kronieken. Ze zijn in het huis op de Emmakade intussen begonnen met het opzetten van een kinder- en kraamkliniek voor onderduikers en ondervoede kinderen uit het Westen (in de hongerwinter).

In april 1945 komt Van der Wissel vrij en keert hij terug naar Leeuwarden. Na zijn eerste preek staat de gemeente spontaan op om voor hem te applaudisseren. In het familiearchief komt Baukje nog enkele preken tegen die haar opa vlak na de oorlog uitspreekt. Op 22 juli 1945 preekt hij over het militarisme en verwijst hij naar de Bergrede van Jezus. Wij gelooven, dat op geweld geen zegen rusten kan; want al wie zijn leven zal trachten te behouden, zal het verliezen, en alleen wie bereid zal zijn, zijn leven te verliezen, zal het ware leven vinden.

In 1946 is hij betrokken bij de oprichting van de Doopsgezinde Vredesgroep waar hij later voorzitter van wordt.

Baukje van der Wissel heeft haar opa, die in 1962 overleed, nooit persoonlijk gekend. Nu, na lezing van zijn kronieken, denkt ze een redelijk beeld van de man te hebben. ,,Hij was heel principieel en standvastig. Hij was intellectueel en introvert, niet heel toegankelijk denk ik. Wel een lieve, zorgzame man, maar je moest hem leren kennen.’’

over de oorlogsactiviteiten van haar opa, verbaast Baukje achteraf niet. ,,Zoals zoveel mensen in die tijd waren mijn grootouders heel voorzichtig met wat ze opschreven.’’

Een bijzonder document in de kronieken is de bedankbrief van de Menno Simonszkring Leeuwarden van eind juni 1945, waarin eerst de pleegouders worden bedankt voor hun hulp aan de Joodse kinderen, en daarna de Van der Wissels.

(...) Maar ook U zijn wij grooten dank schuldig. U hebt ons bij de regeling van het een en ander zooveel als in uw vermogen lag geholpen. U hebt Uw huis, Uw tijd beschikbaar gesteld , Uw liefde gegeven, toen de kinderen hier ontvangen moesten worden. Bij U kwamen wij nooit voor de ‘dichte deur’ ’s morgens vroeg niet en ‘s avonds laat ook niet. Wanneer iemand bereid was ons te helpen, dan was U het wel. (..)

Terugkijkend zegt Baukje haar opa te bewonderen in wat hij heeft gedaan. ,,Het was niet zozeer ondermijnend bedoeld. Hij deed wat nodig was, en vond dat vanzelfsprekend. Dus daar liet hij zich niet op voorstaan. Het is best lang geleden gebeurd en helaas heb ik het verhaal niet uit de persoonlijke overlevering gehoord, dus voelt het ver weg. Ik was op zoek naar de mens achter de verhalen en vind het mooi dat mijn opa op deze manier weer wat tot leven komt.’’

Het gesprek met Baukje van der Wissel is te beluisteren bij Omrop Fryslân, zondagochtend in het programma Buro de Vries, tussen 11.00 en 12.00 uur.